• Het gedicht

     

    Bron: Wikipedia, de vrije encyclopediePoster Stabat Mater

    Stabat mater dolorosa (Latijn, Nederlands: De moeder stond bedroefd ) zijn de beginwoorden van een gedicht op de Moeder Gods in haar smart om de gekruisigde Christus. De auteur was waarschijnlijk een Fransiscaner monnik uit Frankrijk of Italië. Genoemd zijn: Johannes Fidenza (1221-1274), die later als kardinaal-aartsbisschop van Albano de naam Johannes Bonaventura aannam, en John Pecham, een Engelse student van Bonaventura, die twintig jaar in Parijs woonde. In het verleden werd het gedicht toegeschreven aan Jacopone van Todi, die wel een minder geslaagde versie schreef, de Stabat Mater Speciosa. Het gedicht behoort sinds 1727 tot de Rooms-katholieke misgezangen van het feest van Onze Lieve Vrouw van Smarten (15 september).

     

     

    1.

    Stabat mater dolorosa
    Iuxta crucem lacrimosa,
    Dum pendebat filius.
    Cuius animam gementem
    Contristatam et dolentem
    Pertransivit gladius.

    2.

    O quam tristis et afflicta
    Fuit illa benedicta
    Mater unigeniti
    Quae maerebat et dolebat.
    Et tremebat, cum videbat
    Nati poenas incliti.

    3.

    Quis est homo qui non fleret,
    Matrem Christi si videret
    In tanto supplicio?
    Quis non posset contristari,
    Piam matrem contemplari
    Dolentem cum filio?

    4.

    Pro peccatis suae gentis
    Vidit Iesum in tormentis
    Et flagellis subditum.
    Vidit suum dulcem natum
    Moriendo desolatum
    Dum emisit spiritum.

    5.

    Eia mater fons amoris,
    Me sentire vim doloris
    Fac ut tecum lugeam.
    Fac ut ardeat cor meum
    In amando Christum Deum,
    Ut sibi complaceam.

    6.

    Sancta mater, istud agas,
    Crucifixi fige plagas
    Cordi meo valide.
    Tui nati vulnerati
    Tam dignati pro me pati,
    Poenas mecum divide!

    7.

    Fac me vere tecum flere,
    Crucifixo condolere,
    Donec ego vixero.
    Iuxta crucem tecum stare
    Te libenter sociare
    In planctu desidero.

    8.

    Virgo virginum praeclara,
    Mihi iam non sis amara,
    Fac me tecum plangere.
    Fac ut portem Christi mortem,
    Passionis eius sortem
    Et plagas recolere.

    9.

    Fac me plagis vulnerari,
    Cruce hac inebriari
    Ob amorem filii,
    Inflammatus et accensus,
    Per te virgo sim defensus
    In die iudicii.

    10.

    Fac me cruce custodiri,
    Morte Christi praemuniri,
    Confoveri gratia.
    Quando corpus morietur
    Fac ut animae donetur
    Paradisi gloria.
    Amen.
    (Alleluia.)

    1.

    Naast het kruis, met schreiende ogen
    Stond de moeder, diep bewogen
    Toen de Zoon te sterven hing,
    En haar door het zuchtend harte,
    Overstelpt van wee en smarten,
    ’t Zevenvoudig slagzwaard ging.

    2.

    O hoe droef, hoe vol van rouwe,
    Was die zegenrijkste vrouwe,
    Moeder van Gods ene Zoon!
    Ach, hoe streed zij! ach, hoe kreet zij,
    En wat folteringen leed zij,
    Bij ’t aanschouwen van die hoon!

    3.

    Wie, die hier niet schreien zoude,
    Als hij ’t grievend leed aanschouwde,
    Dat Maria’s ziel verscheurt?
    Wie kan, zonder mee te wenen,
    Christus’ moeder horen stenen,
    Nu zij met haar zoon hier treurt?

    4.

    Voor de zonden van de zijnen
    Zag zij Jezus zo in pijnen,
    En de wrede geselstraf,
    Zag haar lieve Zoon zo lijden,
    Heel alleen de doodskamp strijden,
    Totdat Hij zijn geest hergaf.

    5.

    Geef, o Moeder! bron van liefde,
    Dat ik voel, wat U zo griefde,
    Dat ik met U medeklaag.
    Dat mij ’t hart ontgloeit van binnen,
    In mijn Heer en God te minnen,
    Dat ik Hem alleen behaag.

    6.

    Heil’ge Moeder, wil mij horen,
    Met de wonden mij doorboren,
    Die Hij aan het kruishout leed.
    Ach, dat ik de pijn gevoelde,
    Die uw lieve Zoon doorwoelde,
    Toen Hij stervend voor mij streed.

    7.

    Mocht ik klagen al mijn dag,
    En zijn plagen waarlijk dragen,
    Tot mijn jongste stervenssmart.
    Met U onder ’t kruis te wenen,
    Met uw rouw mij te verenen,
    Dat verlangt mijn zuchtend hart.

    8.

    Maagd der maagden! nooit volprezen,
    Wil voor mij niet bitter wezen,
    Laat mij treuren aan uw zij,
    Laat mij al de wrede plagen,
    En de dood van Christus dragen,
    Laat mij sterven zoals Hij.

    9.

    Laat zijn wonden mij doorwonden,
    Worde ik bij zijn kruis verslonden
    In het bloed van uwen Zoon.
    Moge ik in het vuur niet branden,
    Neem, o Maagd, mijn zaak in handen
    In het oordeel voor Gods troon.

    10.

    Christus, moge ik eens behalen,
    Als mijn levenszon gaat dalen,
    Door uw Moeder, palm en prijs.
    En als ’t lichaam dan zal sterven,
    Doe mijn ziel de glorie erven
    Van het hemels paradijs.
    Amen.
    (Halleluja)

    Meedoen of komen kijken?

    Op de hoogte blijven?